Een man parkeert zijn auto op een parkeerplaats waar parkeerbelasting verschuldigd is. Hij betaalt deze echter niet, omdat zijn dochter alleen maar even een pakketje hoeft op te halen bij het nabijgelegen afhaalpunt. De man blijft ondertussen zelf in de auto zitten met de alarmlichten aan.

Laden en lossen

De man is het er niet mee eens dat hij hiervoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt. Volgens hem is er geen sprake van parkeren, maar van laden en lossen. Ter onderbouwing toont hij een kassabon met hetzelfde tijdstip als de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar vindt de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat sprake was van parkeren.

Definitie van parkeren

Volgens de wet is parkeren het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een voertuig, anders dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden en lossen van zaken. Van onmiddellijk laden en lossen is alleen sprake bij het daadwerkelijk plaatsen van goederen in of het nemen van goederen uit het voertuig. Als een voertuig stilstaat gedurende de tijd dat iemand bezig is met het ophalen of afleveren van zaken, is geen sprake van onmiddellijk laden en lossen, maar van parkeren, ongeacht hoe lang of hoe kort het voertuig stilstaat.

Klein pakketje

Bij de beoordeling of sprake is van laden en lossen, is van belang of het stilstaan van een voertuig noodzakelijk is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken. Hierbij speelt de omvang of het gewicht van de zaken een rol. In dit geval ging het om een klein pakketje, een USB-adapter. Het ophalen van zo'n klein pakketje kwalificeert niet als laden en lossen. Het feit dat de man in de auto zat met de alarmlichten aan, verandert hier niets aan. Aangezien er geen parkeerbelasting is voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en is het beroep van de man ongegrond.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:8066 | 17-06-2026

Een bv die een kwekerij voor pot- en groenteplanten exploiteert, is in 2020 eigenaar en gebruiker van twee glastuinbouwlocaties. De twee locaties liggen meer dan twee kilometer van elkaar, gemeten over de weg. De gemeente waardeert daarom beide locaties afzonderlijk en legt op basis hiervan aparte WOZ-beschikkingen en aanslagen op. De kwekerij is het hier niet mee eens. Zij stelt dat de twee locaties als één 'samenstel van eigendommen' moeten worden gezien. Dit begrip, zoals vastgelegd in de Wet WOZ, verwijst naar objecten die naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen en door één (rechts)persoon worden gebruikt. De kwekerij maakt bezwaar, maar zonder succes. De kwekerij stapt vervolgens naar de rechter. De rechtbank oordeelt echter dat de locaties zelfstandig te gebruiken zijn en bevestigt de afzonderlijke waardering.

Ook in hoger beroep vindt de kwekerij geen gehoor. Het hof acht de geografische afstand tussen de locaties, de zelfstandige operationele mogelijkheden en het feit dat de locaties onafhankelijk van elkaar te gebruiken en te verkopen zijn, van doorslaggevend belang. Hoewel er sprake is van een zekere organisatorische samenhang, vindt het hof deze onvoldoende om van een samenstel te kunnen spreken. 

In cassatie bevestigt de Hoge Raad dit oordeel. De Hoge Raad geeft aan dat een puur organisatorische verwevenheid, zoals het feit dat beide locaties voor één onderneming worden gebruikt, niet automatisch betekent dat er sprake is van een samenstel. Geografische en operationele factoren kunnen zwaarder wegen dan organisatorische samenhang bij de toepassing van de Wet WOZ. De afzonderlijke WOZ-beschikkingen blijven overeind.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2025:1211 | 11-09-2025